maximaal minimaal ondergronds

In de aanloop naar de expositie Maximaal Minimaal bleek dat er online niet veel te vinden is over Wladimir Zwaagstra: het digitale aanbod blijft beperkt tot enkele schilderijen en (vooral) zeefdrukken; van zijn wandpanelen en -schilderingen geen spoor. Tekst is al helemaal niet over hem te vinden. Het was dan ook meer geluk dan wijsheid dat ons op het spoor bracht van een uniek ondergronds minimalistisch kunstwerk.

Aan de vooravond van de grootscheepse renovatie van de Amsterdamse metrostations aan de zogeheten Oostlijn ontstond de nodige discussie over de toekomst van de vele kunstwerken die daar tijdens en vlak na de bouw (eind jaren ’70, begin ’80) waren aangebracht. Twee kunst- en architectuurhistorici (drs. Y. Spoelstra en drs. F. van Burkom) kregen van de gemeente de opdracht om de cultuurhistorische waarde van de kunstwerken te onderzoeken. Mede vanwege hun gedegen rapportage valt er nog steeds te genieten van het werk van Opland, Cornelius Rogge, Jan Sierhuis en vele anderen.

De twee historici kwamen ook een kunstwerk tegen dat onmogelijk gered kon worden, omdat het door krakers, punkers en andere spuitbusartiesten al gauw na oplevering voor een groot deel werd ondergespoten (de metrotunnels waren in de jaren ’80 nog betrekkelijk makkelijk te betreden) waardoor amper iemand van het bestaan ervan weet. Het gaat daarbij om vijf langgerekte wandschilderingen, tezamen één (bijna) doorlopende strook vormend van maar liefst tweeënhalve kilometer. Over maximaal minimaal gesproken!

Uit de rapportage van Spoelstra en van Burkom:
‘[het] kunstwerk is een unicum in Nederland. Niet alleen qua conceptie en uitvoering, maar ook als opdracht. […] Het doel was om de metrogebruiker de lengte en de duur van het reizen (afstand en tijd) over een bepaald baanvak visueel te laten ervaren. Het is daarbij de bedoeling geweest dat hij of zij het volgende station zag aankomen door de veranderingen in het waargenomen beeld. Voor alle werken is gekozen voor een consequente, concrete aanpak in artistieke conceptie: namelijk een kinetisch-optische benadering van het beeld, dus niet verhalend of figuratief […] Het totaal van de vijf gerealiseerde wandschilderingen heeft een grote kunsthistorische waarde.’

Verantwoordelijk voor de uitvoering waren Peter Struycken, Bob Bonies, Caveto (Jan Dohmen), Woody van Amen én dus Wladimir Zwaagstra. Helaas is er nauwelijks beeldmateriaal bewaard gebleven. Van de bijdragen van Peter Struycken en Bob Bonies ligt er naar verluidt nog ‘ergens’ in het Stedelijk Museum een documentatiemap, maar van de veel minder bekende Zwaagstra is er, op een enkel onscherp plaatje na, helemaal niets meer te vinden.

En nu? Zouden er nog ongeschonden gedeeltes van dit unieke project zijn? Vanuit de rijdende metro is er amper wat te zien. De eventuele restanten echt goed bekijken kan alleen ’s nachts, na uitschakelen van de elektrische rails, onder begeleiding van bevoegd GVB-personeel. De bezoeker dient bovendien in het bezit te zijn van de juiste papieren én een behoorlijk bedrag neer te leggen. Geen doen dus. Misschien dat ooit, over een paar eeuwen, een archeoloog dit ondergrondse geheim ‘ontdekt’ en er een restauratieteam op zet…

nb
Wat betreft Zwaagstra op het internet: n.a.v. Maximaal Minimaal hebben wij hem postuum een eigen pagina bezorgd op Digitaal KunstBeheer (DKB), met CV en korte bio.


Het enige beeldmateriaal dat Spoelstra en van Burkom hebben kunnen vinden van het metrotunnelproject zijn deze, zo te zien vanuit een rijdende metro gemaakte, foto’s van Ed Suister. Ze staan in het alleraardigste boekwerkje Van Metro tot Beeldbuis, Amsterdam [1981] van Gert Jonker. Van boven naar beneden: Caveto, Peter Struycken, Wladimir Zwaagstra, Woody van Amen en Bob Bonies.