nico, 1988

1.
In 1987 traden Nico en haar band op in een redelijk gevuld Paradiso. Die band was een allegaartje van Engelse wave-muzikanten, veelal B-categorie, gemiddeld half zo oud als de zangeres die ze begeleidden. De oudere nummers waarin alleen Nico en haar harmonium te horen waren, klonken verreweg het beste. We zagen een pafferige, kettingrokende vrouw van middelbare leeftijd die gebogen achter haar harmonium zat; niet eens meer een schim van het ongenaakbare fotomodel dat ze ooit was. Tussen de coupletten door leek het alsof ze zichzelf in een roes speelde: langzaam zakte ze naar een kant – om zich steeds nét op tijd weer naar de microfoon te verheffen. Maar als ze zong; hard galmend, recht vooruit, zonder subtiliteit of ook maar een zweem van vibrato, dan klonk het alsof de tijd twintig jaar had stilgestaan. Waanzin, decadentie, eenzaamheid, dood en verderf kwamen als vanouds samen in die eigenaardige, onverminderd kippenvel veroorzakende stem. Het Paradiso-concert zou Nico’s laatste in Nederland zijn; een jaar later overleed zij op Ibiza, na een ongelukkige val van haar fiets.

2.
In de film Nico, 1988 zegt de zangeres, als ze voor de zoveelste keer wordt gevraagd naar haar tijd als lid van The Velvet Underground, dat haar (muzikale) leven pas daarná begon, vanaf het moment dat ze haar eigen muziek ging maken. En ‘eigen’ wás die muziek. Nog steeds klinken The Marble Index (1968) en Desertshore (1969) volkomen uniek. De diepe stem, het jengelende harmonium, de neo-klassieke melodieën en de mysterieuze sfeer… Velvet-maatje John Cale produceerde en arrangeerde beide albums en ging daarbij he-le-maal los op viool, kerkorgel, klavecimbel, Glockenspiel en tal van andere instrumenten. Het duo vond aldus een geheel nieuw soort muziek uit, behoorlijk experimenteel en verre van vrolijk, die nauwelijks nog wat met pop of rock van doen had. Daarna maakte Nico nog een handvol platen (waarvan sommigen weer meer richting ‘rock’) maar het niveau daarvan zakte, net als zijzelf, geleidelijk weg in een moeras van drugs en vergetelheid.

3.
Nico, 1988 is geen goede film, hooguit een interessante. De hoofdrolspeelster lijkt voor geen meter, maar heeft die typische Teutoonsche stem en dat rare Duits-Amerikaanse accent tot in de puntjes onder de knie. De film verhaalt van de laatste toernee van Nico en haar band, die hen deels door Oost-Europa voerde. Van zoiets als een spanningsboog is geen sprake: de film zwabbert van optreden naar optreden, van anekdote naar anekdote, van heroïnefix naar heroïnefix. Life on the road, oversausd met Nico’s onvoorspelbare junkiegedrag, eeuwige gehossel om drugs en volkomen ontaarde moederschap. Je wilt toch enige sympathie of op zijn minst enig mededogen opbrengen voor iemand wiens muziek je hoog hebt zitten, maar daartoe biedt deze ontluisterende film (en dat mag moedig van de makers genoemd worden) geen enkele kans: ook de film-Nico is een kille, nare, zelfzuchtige en zelfdestructieve bitch waarmee het verrekte moeilijk (mee-)leven is. Als zij net voor de aftiteling op haar fiets stapt, dan weten we dat dat haar allerlaatste ritje wordt maar voelen we daar niet of nauwelijks wat bij. De vraag rijst in hoeverre een kunstenaar als persoon moet worden vereenzelvigd met haar/zijn kunst. Immers, wie muziek, beeldende kunst of literatuur afwijst omdat de maker ‘vervelend’ of ‘onsympathiek’ is, doet zichzelf tekort. En al helemaal in het geval van Nico. Want man o man, wat blijft die muziek mooi…

Foto’s: de echte Nico in 1987 en ca. 1966 | Trine Dyrholm als/in Nico, 1988