kunst in tijden van corona

Surrealistische dagen in Parijs. Terwijl op televisie hel en verdoemenis uitbreken en de ene na de andere quarantainemaatregel wordt aangekondigd, zijn op straat de mondkapjes op één hand te tellen. Opvallend stil is het wel. Op de laatste dag voordat het Centre Pompidou voor onbepaalde tijd wordt gesloten zien we er meer personeel dan publiek rondlopen. Ideale omstandigheden om ongehaast en geconcentreerd naar kunst te kunnen kijken! Als om ons eraan te herinneren dat er toch een gevaarlijk virus rondwaart begint het retrospectief van Christian Boltanski met een kort filmpje waarin een man de longen (plus een flinke straal bloed) uit zijn lijf hoest. Het akelige geluid ervan achtervolgt ons door de eerste zalen en zet de toon – en zoals te verwachten wordt het er nadien bepaald niet vrolijker op. De naargeestige herdenk-de-doden-kunst van Boltanski wil nog wel eens op het randje van de emo-kitsch balanceren en gaat daar een enkel keer (zoals bij dat videowerk met walvisgeluiden) danig overheen. Zijn iconische foto’s-met-lampjes-werken blijven echter ijzersterk en ook zijn mobiles met dansende silhouetten van skeletjes en saterkoppen hebben aan kracht niets ingeboet. Erg onder de indruk zijn we opnieuw van de vaste collectie van Pompidou. Wat een rijkdom! Een zaal Kandinsky’s hier, een zaal Barnett Newmans daar… het kan niet op. Als er al iets te mekkeren valt is het dat het veel te veel is om allemaal fatsoenlijk op te kunnen nemen.

Een dag eerder zijn we in Palais de Tokyo, wat ons betreft een must bij elk Parijs-bezoek. (Waarom is er niet zoiets in Amsterdam?) Ook hier is het stil en ook hier is, zoals altijd, veel. Zo is er de groepstentoonstelling The World Is Burning, met voornamelijk werk van Arabische kunstenaars, die beide kelderetages vult. Maar het eerste dat we zien is een constellatie van enorme, achter elkaar gehangen lappen stof, elk in een felle kleur en met een gat in het midden. De aldus ontstane ‘tunnel’ functioneert als een visuele portal naar de geheel eigen wereld van Ulla von Brandenburg. Die wereld is opgebouwd uit textiele ‘wanden’ – een beetje als toneel-achtergronddoeken – met daartussen grotendeels lege ruimtes. Hier en daar liggen ledenpoppen, zien we een hooiberg of een doosje met gekleurde linten. Een opvallend detail zijn de Indiase shrutiboxen: kleine (in dit geval elektrisch aangedreven) één-akkoordenharmoniums die een continuë drone laten klinken. Het geheel is niet makkelijk te plaatsen maar oogt in al zijn monumentaliteit vooral poëtisch en verstild – en we zijn zeer onder de indruk. Een zaal verder toont Von Brandenburg een film waarin alle onderdelen die we eerder zagen – de stoffen, de kleuren, de harmoniums etc. – weliswaar terugkomen, maar waarin de sfeer veel duidelijker is. We zien enkele tientallen acteurs een soort hippie-musical annex sjamanistisch ritueel uitvoeren waarvan de precieze betekenis vaag blijft, maar dat hier een gesloten gemeenschap met geheel eigen codes wordt uitgebeeld valt niet te missen. Melanie Bonajo’s hippies-van-nu-kunst comes to mind, maar als we tussen de vele uitdossingen een berenpak ontwaren is ook de bizarre Zweedse sekte uit Midsommar niet ver weg meer.