dialoogje

“Zeg Polderlicht, hoe gaat het met de voorbereidingen van jullie festival?”

“Wij noemen het geen festival.”

“Oh? Hoezo dat?”

“Kijk, het klopt dat Parklicht een lichtkunstgebeuren is dat zich afspeelt in de openbare ruimte en gratis toegankelijk is. In die zin verschilt het, afgezien van de veel kortere duur, niet of niet wezenlijk van onze grote broer in het stadscentrum – en dat is wél een festival. Het klopt ook dat Parklicht mede mogelijk wordt gemaakt door een forse bijdrage uit het festival-potje van het stadsdeel en dat we net zo’n evenementenvergunning hebben moeten aanvragen als Keti Koti en Roots. Dus ook van overheidswege beschouwt men Parklicht als een festival. Maar, zonder in een oeverloze semantische discussie te willen vervallen, de term ‘festival’ is een afgeleide van ‘feest’ en/of ‘festiviteit’ en doet ons derhalve nét iets te veel denken aan barbecuewalm, koek-en-zopie en wat heb je allemaal aan leuke dingen voor de mensen. Allemaal niks mis mee, maar dat soort zaken staat nogal haaks op wat wij in het Oosterpark voor ogen hebben. Voor drank, spijs en ander gezelligs kan de bezoeker prima terecht in één van de etablissementen in en rond het park maar buiten, in onze ‘route’, gaat het om slechts één ding: het op spannende wijze en in een verstilde sfeer presenteren van goede lichtkunst. En daarom noemen we Parklicht geen festival, maar een tentoonstelling.”

“Eh, oké… laat ik het dan anders vragen: hoe gaat het met de voorbereidingen van jullie tentoonstelling?”

“Prima!”